Eiwitten: is méér altijd beter?

De abonnees van Natuur&Gezondheid hebben in 2020 de combo ontvangen van vier nieuwe publicaties. Een daarvan spitte het eiwitvraagstuk redelijk diep uit. Nu signaleert één van onze lezers een studie die suggereert dat het verstandig is om de eiwitinname te verhogen na 65 jaar. Daar moeten toch ernstige bedenkingen bij gemaakt worden en laat mij toe om in deze brief enkele te verduidelijken. Bovendien vraag ik me af of de lezer die studie wel echt goed gelezen heeft ?

De studie die beweerde aan te tonen dat diëten met veel vlees, eieren en zuivelproducten net zo schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid als roken, suggereerde dat mensen onder de 65 die veel vlees, eieren en zuivel eten vier keer zoveel kans hebben om te overlijden aan kanker of diabetes. Maar als je naar het eigenlijke onderzoek kijkt, zul je zien dat dat gewoon niet waar is. Degenen die veel dierlijke eiwitten aten, hadden niet vier keer meer kans om aan diabetes te overlijden; ze hadden 73 keer het risico.

Hoe zit het met degenen die voor matiging kozen, degenen in de gematigde eiwitgroep, die 10 tot 19% van de calorieën uit eiwitten haalden? Ze hadden net ongeveer 23 keer meer kans op overlijden door diabetes, vergeleken met degenen die de aanbevolen hoeveelheid proteïne consumeren, wat neerkomt op ongeveer 6 tot 10% van de calorieën uit proteïne – ongeveer 50 gram per dag. Probeer dit eens te berekenen op basis van je gemiddelde voedingspatroon – ook als daar relatief weinig eiwitrijke voedingsmiddelen inzitten.

Dus de zogenaamde lage eiwitinname is eigenlijk de aanbevolen eiwitinname – geassocieerd met een grote vermindering van kanker en de algehele mortaliteit op middelbare leeftijd, onder de 65 jaar. Maar let op, het zegt niet hoe het zit bij oudere populaties. Als het gaat om sterfgevallen door diabetes, wordt een lagere totale eiwitinname geassocieerd met een langer leven op alle leeftijden. Maar voor kanker lijkt het – althans volgens de commentaren – rond de leeftijd van 65 te veranderen.

De resultaten lijken te suggereren dat een lage eiwitinname op middelbare leeftijd, gevolgd door een matige tot hoge eiwitconsumptie bij ouderen, de gezondheid en levensduur kan optimaliseren. Sommigen hebben gesuggereerd dat de standaard dagelijkse hoeveelheid proteïne, 0,8 gram dagelijkse proteïne voor elke gezonde kilogram lichaamsgewicht, voor de meesten misschien goed is, maar misschien hebben oudere mensen meer nodig.

Dit is het onderzoek waarop de ADH was gebaseerd, en hoewel er werd gesuggereerd dat ouderen een iets hogere behoefte zouden hebben, is er niet genoeg bewijs om andere aanbevelingen te doen. De definitieve studie werd in 2008 gepubliceerd en er werd geen verschil gevonden in de eiwitbehoefte tussen jong en oud. Dezelfde ADH zou voldoende moeten zijn voor ouderen.

Maar voldoende inname is niet noodzakelijk een optimale inname. De eiwitbehoefteonderzoeken gaan niet in op de mogelijkheid dat eiwitinname ruim boven de ADH gunstig zou kunnen zijn – zo suggereert een lid van het Whey Protein Panel en een adviseur van de National Cattlemen’s Beef Association.

Als je sedentaire personen ouder dan 65 volgt, verliezen ze elk jaar ongeveer 1% van hun spiermassa. Als je mensen dwingt om de hele dag dagen achter elkaar in bed te liggen, verliest iedereen spiermassa. Maar oudere volwassenen kunnen zes keer sneller spiermassa verliezen tijdens bedrust dan jonge mensen. Dus is daar het spreekwoord “Use it or Loose it”, m.a. w. gebruik je spieren (door beweging en inspannende taken) of je raakt je spieren kwijt – en dat geldt voor iedereen, maar ouderen lijken de spiermassa sneller te verliezen; dus ze kunnen beter hun spieren gebruiken.

Het goede nieuws is dat, in tegenstelling tot de 12-jarige Amerikaanse studie, een vergelijkbare studie in Japan heeft uitgewezen dat de leeftijdsgerelateerde afname van de spiermassa triviaal was. Waarom het verschil? Het blijkt dat de deelnemers waren geïnformeerd over de resultaten van hun spierkracht; en dus probeerden ze die vaak te verbeteren door te trainen voor het volgende onderzoek, om uit te blinken in de studie – vooral de mannen, die zo competitief werden, dat hun spiermassa toenam met de leeftijd, wat aantoont dat het verlies van spiermassa met de leeftijd niet onvermijdelijk is; je moet gewoon wat moeite doen.

Het toevoegen van extra proteïne lijkt in het geheel niet te helpen. Het toevoegen van meer eiwitten aan het dieet had geen invloed op de spierreacties op weerstandstraining – en dat is gebaseerd op onderzoeken die door de American Egg Board zelf werden gefinancierd. Zelfs de National Dairy Council kon het niet verdraaien. Het is duidelijk dat door krachttraining teweeggebrachte verbeteringen in lichaamssamenstelling, spierkracht en omvang, en fysiek functioneren niet worden verbeterd wanneer oudere mensen hun eiwitinname verhogen door ofwel de inname van eiwitrijkere voedingsmiddelen te verhogen, ofwel door eiwitsupplementen te nemen.

Is er iets dat we op het gebied van voeding kunnen doen om onze verouderende spieren te beschermen? Groenten. Het consumeren van meer dan de aanbevolen hoeveelheden groenten was geassocieerd met het verminderen van de kans op spierverlies bij de helft van de onderzochte personen met een lage spiermassa. Waarom? De alkaliserende effecten van groenten kunnen de milde metabole acidose neutraliseren die optreedt bij het ouder worden, en het kan dat beetje extra zuur in ons lichaam zijn dat de afbraak van spieren vergemakkelijkt.

Ik heb het hier eerder over gehad, hoe spiervermindering een adaptieve reactie lijkt te zijn op acidose. We lijken een chronische, laaggradige acidose te krijgen met het ouder worden omdat onze nieren achteruitgaan en omdat we mogelijk een zuurbevorderend dieet volgen – wat betekent dat we vis, varkensvlees, kip en kaas eten en veel te weinig fruit en groenten. Zoals je kunt zien, zijn bonen en peulvruchten de enige belangrijke bron van proteïne die – mits correct bereid – alkalisch is in plaats van zuur vormend. Een meer plantaardig dieet, een meer basisch dieet, bleek positief geassocieerd te zijn met het behoud en het verbeteren van de spiermassa bij vrouwen van 18 tot 79 jaar oud.

Dus als we onze eiwitconsumptie na de leeftijd van 65 gaan verhogen, zou het beter zijn om plantaardige eiwitten te gebruiken om ons tegen kwetsbaarheid te beschermen. Hoe oud we ook zijn, een dieet dat de nadruk legt op plantaardige voeding, zal de gezondheidsvoordelen voor alle leeftijdsgroepen maximaliseren. Maar zelfs met plantaardige eiwitten moeten we niet overdrijven. Soms functioneert ons lichaam beter met minder, en springt er efficiënter mee om. Soms gaat die efficiëntie verloren wanneer men overdaad aan geconcentreerde voeding gebruikt. De verminderde enzymproductie – die op hogere leeftijd moet verwacht worden – is niet in staat om een groter aandeel aan eiwitten goed te bewerken, waardoor nu – meer dan op jonge leeftijd – eiwit verloren gaat en omgezet wordt in toxische restproducten.
Herlees zeker ook :

Dit digitaal boek kost 9 euro / of betaal 20 euro voor de combo van : Vitamines – Mineralen – Eiwitten – Natuurlijke Remedies.

Advies van Franz Konz

“Zowel in het verleden als vandaag was het geloof in de hulp door een vreemde (dokter, therapeut, hulpverlener) makkelijker en aangenamer voor de mensen, om geholpen of beter te worden, dan zich zelf in te spannen en de reden van de klachten te kennen en zichzelf te helpen door de oorzaak ongedaan te maken.

“Het is niet voldoende om op den duur te genezen (door de ziekte de kop in te drukken) als het om zware ziekte gaat. Ik kan alleen verstandig presteren en op een bepaald gebied succesvol zijn als ik het concept volledig beheers. Als ik echter niet eens de echte oorzaken ken die tot de ziekte geleid hebben, dan heb ik niets aan die kennis over het ziekteverloop! Ik zeg het volgende: Het is eender of de kennis over de processen in het menselijke lichaam verkeerd of goed zijn, – het leidt tot geen enkel voordeel bij de medische behandeling door de arts. Integendeel: Hoe meer de artsen weten, hoe exacter ze de gecompliceerde voortgang van de ziekte kennen, hoe meer bronnen van fouten in de conclusies sluipen en hoe verkeerder ze behandelen.” Frans Konz

“Ondanks de verkeerde opvattingen over de werking van het hart, de hersenen, de lever en milt, waren de behandelingsresultaten van de Griekse artsen beter dan die van de hedendaagse medici. Want hun vloeistoffen-theorie was eenvoudig, en de toenmalige Grieken stonden korter bij de natuur dan tegenwoordig. De methode van de hippocratische artsen weerspiegelde de basisinstelling van het leven, door namelijk het gehele lichaam en niet de aparte delen te behandelen. In het bijzonder waren ze van mening dat ze de natuur in het genezingsproces moesten ondersteunen, en geen geweld aandoen. Bij zieke mensen was het vloeistofmengsel in het lichaam niet meer harmonisch – zo namen ze aan – en nu probeerde de natuur de genezing tot stand te brengen, wat ze met een voedingswijze ondersteunden.”

“Dat was werkelijk verstandig.” Het was destijds de artsen nog gegeven dat ze zo waren. Weliswaar zat Hippocrates er naast met zijn lichaamssappenleer, maar niet met zijn bewering: “De arts is alleen maar de helper, de patient zelf is echter de arts.” Bovendien vaardigde hij het strikte gebod uit om ongeneeslijke zieken niet te behandelen – wat ik net zo goed als een onvoorwaardelijke must zie.”

“Hoe kun je nu zoiets zeggen! Je kunt die hulpeloze zieken toch niet zo maar aan hun lot overlaten! Men zou bijna denken dat men in een boek uit de duistere middeleeuwen aan het lezen is” zeg je,”in plaats van in een modern verhelderend werk”… Franz Konz in zijn “Grote GezondheidsKonz

Behalve deze blog, wordt er nog hard gesleuteld aan de cursus Natuur&Gezondheid. Bijvoorbeeld bij het begin van het 2e kwartaal, was er de tweede Vraag&Antwoord, met vragen over voeding en natuurlijke therapie. 7 mensen namen een abonnement… Maar het is niet te laat… en dat mogen er ook 77 of 777 zijn… want de informatie die hier staat is zo nodig. Module Q wordt in de loop van dit jaar verder uitgebreid en de abonnees krijgen bij elke nieuwe publicatie een herinnering om de nieuw toegevoegde onderdelen te downloaden.

Er zijn 4 nummers in 2021 – samen vormt het een snelcursus Natuurlijk Genezen met veranderingen in de voeding & levenswijze.

Wat is dat met het Ontbijt?

Voor velen is het ontbijt een liefde-haat-verhouding. Hun lichaam zegt neen, maar alles wat ze hebben geleerd zegt “het moet”. Dat kan moeilijk anders, als je ziet welke aandacht er wordt besteed aan de promotie van het ontbijt. Je krijgt al direct een schuldgevoel of op zijn minst een “ik-ben-niet-goed-bezig”-gevoel, als je de deur uitstapt of aan je activiteiten begint zonder een stevig ontbijt. Ik was altijd verrast, toen ik het leven in Groot-Brittanië observeerde en zag met welke dramatische schotels ze ’s morgens kwamen aanrukken… Ik had medelijden met de maag die dat moest verteren.

Alles betreffende echte en valse honger hebben, heeft betrekking op je eerste maaltijd. Alle adviezen die hierna volgen zijn gericht op de periode, volgend op de intense en blijvende echte hongersignalen. De dag beginnen met een ontbijt geeft je meerdere mogelijkheden. Uit de vele opties  hebben wij er drie gekozen.

Ontbijtplan 1

De eerste keuze is het geen-ontbijtplan. Je eet dan slechts tweemaal per dag. Meestal is het niet eens zo moeilijk om je ontbijt over te slaan. De meeste mensen hebben immers niet eens honger ’s na het opstaan in de ochtend. Ga je ondanks het feit dat je geen honger hebt tòch eten, dan is je hele spijsvertering en hongermechanisme voor de rest van de dag ontregeld. Veel kinderen hebben ’s morgens geen trek, maar worden flink gemotiveerd – gedwongen – om toch te eten. Terwijl hun spijsvertering niet eens goed op gang is gekomen door de stress van de ochtenddrukte, vullen zij hun maag, wat eer resulteert in gisting en rotting. Dus, als het je past, het is beslist geen doodzonde om je ontbijt over te slaan. Wil je toch op enig moment ontbijten, dan verzet je je ontbijt naar een later tijdstip. Zo neem je bijvoorbeeld een van de hierna volgende suggestie, zij het later op de dag.

Albert Mosséri, grondlegger van het Hygiénisme in Frankrijk zegt hierover in overeenstemming met de natuurwetten, bij het ontwaken:

  • Niets eten, niets drinken, de tanden niet poetsen met tandpasta.  
  • Een vuile kleverige tong is een teken van een voortgezette eliminatie.  
  • Wachten tot de mond uit zichzelf proper wordt. Minstens één uur na het ontwaken wachten, voor je iets gaat eten.

Ontbijtplan 2

De tweede keuze is een licht ontbijt: de keuze van sappige vruchten of vruchtensappen. Bijvoorbeeld sinaasappelsap of meloensap, of één of andere vrucht gewoon uit de hand om de honger te kalmeren. Maak je keuze uit het halfzure fruit, zoals aardbeien, druiven et cetera. Gedroogd fruit als ontbijt vinden we niet de beste keuze. Verse vruchten zijn de beste keuze als eerste voedsel van de dag. Men kan ze het best in zijn geheel en ongekookt eten, en naar keuze als een sap, of zo uit de hand. Probeer niet je vol te proppen. Dat is moeilijk bij fruit, maar zeker niet gewenst! Eet gewoon tot je het lichte gevoel van bevrediging bereikt. Drie of vijf sinaasappels, of een pompelmoes en twee sinaasappels, of enkele spieën uit een watermeloen, of een gemiddelde gallia- of honingmeloen of 400 gram druiven zouden een mooie hoeveelheid voor een puur-vruchtenontbijt moeten zijn.

Ontbijtplan 3

De derde keuze voor het ontbijt is bedoeld voor mensen die vinden dat hun ontbijt een beetje meer moet bevatten. Meestal wordt het gekozen door mensen die de hele dag van huis weg zijn en die voor de rest van de dag niet in staat zijn goed voedsel te krijgen. Dit derde plan kan ook verkozen worden door diegenen die zich beter voelen wanneer ze ’s morgens een beetje eiwit eten, in het bijzonder mensen die een probleem hebben met een laag bloedsuikergehalte (hypoglycemie). Alhoewel zeer veel mensen die als dergelijke ‘patiënten’ werden omschreven, succesvol zijn geslaagd in de toepassing van ontbijtplan 1, het tweemaaltijden plan.

Deze derde keuze ‘het steviger ontbijt’, kan bestaan uit wat citrus of ander zuur fruit zoals ananas, aardbeien et cetera, gevolgd door rauwe, ongezouten nootjes of pitten. Idealiter eet je het fruit afzonderlijk, ongeveer dertig minuten later eet je de nootjes of pitten. Op deze manier krijgen de suikers van het fruit de kans de maag te verlaten, voordat de noten verteerd moeten worden. Dit is een veiligheidsmaatregel voor mensen met een zwakke spijsvertering. Bij het eten van dergelijke combinaties, kan men beter minder fruit eten. De toevoeging van salade of selderstelen kan een prima aanvulling betekenen voor den dergelijke maaltijd. Dit type van steviger ontbijt kan het best wat later op de dag gebruikt worden, bijvoorbeeld zo rond het middaguur. Dan heb je immers er al heel wat activiteiten opzitten voordat je deze maaltijd neemt.

Vraag&Antwoord 2 is nog maar pas verschenen, of ik ben al begonnen aan het derde nummer dat in juli zal verschijnen. Daarin zal het gaan over welke bijdrage je manier van leven kan hebben op het voorkomen van ziekte en het herstel van een beschadigde gezondheid. In nummer vier zal het gaan over supplementen en hulpmiddelen voor gezondheid. Het zijn motiverende – verhelderende – positieve benaderingen van natuurlijke gezondheid. Ieder nummer is te koop voor 9 euro. Het abonnement kost 30 euro en heeft veel bonussen.

Ja ik wil ook Vraag en antwoord ontvangen (digitaal) en betaal 9 euro (voor nummer 1) / 30 euro (voor de vier nummers + bonussen in 2021)

Betaal op rekening : IBAN: BE43 9733 7932 4901 / BIC: ARSPBE22 tnv Natur-El

Goed kauwen en je hersenen

Het doel van kauwen is om voedsel vermalen en mengen met speeksel om het slikken en de spijsvertering te vergemakkelijken. Sinds het begin van de vorige eeuw wordt aangenomen dat het ook helpt bij het beheersen van stressniveaus en het verbeteren van de hersenprestaties. Wat is de impact van een vermindering van het kauwvermogen op onze gezondheid?

We hebben het altijd gehoord: goed kauwen is erg belangrijk voor de spijsvertering. Correct. In de mond wordt voedsel met speeksel gemengd, en wanneer het in de keel wegglijdt zou het een vloeibare massa moeten zijn, zonder dat er extra vloeistoffen aan te pas komen. Daarom noemen we de mond “de keuken van het lichaam”. Elk soort voedsel moet verkleind worden in de mond. De toevoeging van speeksel volgt het soort voedsel. Zetmeelrijke voeding is van nature droog en dwingt om lang te kauwen en hoe meer en langer we kauwen, hoe meer speeksel er geproduceerd wordt. Goed kauwen is het begin van een goede spijsvertering. Maar er is meer.
Wist je bv dat de foetus in de baarmoeder al op zijn navelstreng kauwt en op deze manier draagt ​​die bij aan zijn eigen hersenontwikkeling. Kijk maar naar baby’s, hoe ze met alles wat ze te pakken krijgen naar hun mond gaan, waarmee ze hun omgeving exploreren en dat is meer dan smaken en texturen. Ze kauwen en sabbelen op alles.

Met de leeftijd verslechtert de mondgezondheid; verlies van tanden en verminderde speekselvloed worden toegevoegd aan een verzwakte gezondheid en brengen hun eigen problemen met zich mee, met gevolgen die moeten worden beoordeeld.

Leerstoornissen

Meer dan honderd wetenschappelijke studies over dit onderwerp zijn geanalyseerd en geven ons enkele antwoorden. Cognitieve functies zoals geheugen, taal en leren lijken te zijn aangetast. Verlies van gebit, verminderd kauwen en gebrek aan tandheelkundige zorg worden in verband gebracht met een groter aantal gevallen van dementie bij de ziekte van Alzheimer. Bovendien stimuleert kauwen de speekselvloed en helpt het een onbalans van onze mondflora (of dysbiose) te voorkomen. Deze onbalans wordt soms aangetroffen bij sommige ziekten, zoals schizofrenie. Ten slotte bevordert een slechte mondgezondheid in combinatie met orale dysbiose, naast ondervoeding, de opname in het bloed van enkele “slechte” bacteriën, die zich bij voorkeur op het hart richten.

Kauwen maakt de hersenen wakker

Sommige onderzoeken beschrijven de kortetermijneffecten van kauwen en laten zien dat het verband houdt met een verbetering van het kortetermijngeheugen en het rekenvermogen. De aanvoer van glucose naar de hersenen en een verhoogd hartritme kunnen hierbij een rol spelen. De impact op de lange termijn wordt geanalyseerd door middel van beeldvormende technieken: verhoogde cerebrale activiteit is waargenomen in sommige hersengebieden, vooral die welke betrokken zijn bij beweging en aandacht. Een Amerikaanse onderzoeker heeft zelfs aangetoond dat het aantal natuurlijke tanden kan worden gecorreleerd met hippocampusstimulatie, een gebied met langetermijngeheugen. Momenteel wordt aangenomen dat een twintigtal tanden voldoende zijn voor effectief kauwen, maar het is voorbarig om kauwen bv op een potlood, vingers, kauwgom, zoethoutstokje …) aan te bevelen aan onze ouderen: in sommige van hen is het kauwen al defect. Eerst moet worden bepaald of kauwen de cognitie en gezondheid verbetert of dat cognitieve stoornissen een negatieve invloed hebben op het kauwen. Het verbeteren van de mondgezondheid en het behouden van een goede kauwkwaliteit lijken essentieel voor onze hersenen en onze gezondheid in het algemeen.

Veel kinderen en volwassenen hebben geen normale kaakontwikkeling. Dat vertaalt zich dikwijls in een onvolledige of onregelmatige tandontwikkeling. Door dagelijkse oefening, bv met een oefenbal die tot 15 kg tegendruk kan geven, kan binnen enkele weken of maanden het kaakprofiel duidelijk aanpassen. Enkele minuten oefenen, ’s morgens na het ontwaken, maakt de herenen wakker, pompt bloed naar de hersenen en het gehele hoofd, maakt komaf met het suffe gevoel en kan ook helpen om de tanden gezond te houden. EEN VOLLEDIGE GEZICHTS TRAINING IN EEN PAAR MINUTEN PER DAG altijd en overal! Train uw gezichtsspieren thuis, in de auto naar het werk, tijdens film kijken, koken, schoonmaken, uitlaten van je hond, onder de douche of waar dan ook!
Omdat de gezichtsspieren kort zijn, zullen ze snel reageren – wat betekent dat je je fysieke uiterlijk binnen de eerste paar dagen opnieuw kunt vormgeven!

Bronnen:

S. Miquel, M. Aspiras, et J. E. L. Day. Does reduced mastication influence cognitive and systemic health during aging? Physiol. Behav., vol. 188, p. 239‑250, mai 2018.

Hoe het lichaam zichzelf verdedigt

Na twee eerdere brieven, waarin artritis benaderd werd vanuit de oorzaak – voeding, was de conclusie dat iedere poging om artritis te verbeteren / laat staan genezen, tevergeefs is, zonder de voeding aan te pakken, moeten we nu even de stap zetten naar het verdedigingssysteem van het lichaam. Een gezonde voeding zorgt ervoor dat het afweersysteem optimaal kan werken door antigenen die het systeem binnendringen te verwijderen en immuuncomplexen uit het bloed te verwijderen. Het is bekend dat componenten van het rijke westerse dieet met teveel vet en teveel (dierlijke) eiwitten, de functie ervan schaden. Plantaardige oliën, waaronder die van de omega-3 en omega-6-variëteiten, zijn sterke onderdrukkers van het immuunsysteem. Deze immuunonderdrukkende kwaliteit van oliën (bijvoorbeeld visolie en teunisbloemolie) wordt gebruikt om de pijn en ontsteking van artritis te onderdrukken, maar zoals bij veel medicamenteuze behandelingen is het uiteindelijke resultaat misschien niet het beste voor de patiënt. Onderdrukking van het immuunsysteem verhindert dat het zijn werk doet om binnenvallende vreemde eiwitten te verwijderen. Van vetarme diëten is aangetoond dat ze de ontwikkeling van auto-immuunziekten, vergelijkbaar met lupus en reumatoïde artritis, bij proefdieren vertragen (Ann Rheum Dis 48: 765, 1989).

Gezonde voeding levert ook antioxidanten en andere fytochemicaliën die de gewrichten sterk houden en schade herstellen (Am J Clin Nutr 53 (1 Suppl): 362S, 1991). Dierstudies hebben aangetoond dat het voedsel dat wordt geconsumeerd via het rijke westerse dieet niet voldoende antioxidanten levert om de schadelijke vrije radicalen die zich vormen in de gewrichtsweefsels te vernietigen (J Orthop Res 8: 731, 1990).

Behandeling van artritis met voeding kwam in de mode in de jaren 1920 en veel onderzoeken van de afgelopen 20 jaar hebben aangetoond dat een gezond dieet – een heel ander dan het typische westerse dieet – voor veel mensen een zeer effectieve behandeling van inflammatoire artritis kan zijn.

In 1979 paste Skoldstam bij 16 patiënten met reumatoïde artritis gedurende 7-10 dagen een vasten fruit- en groentesap (vasten) toe, gevolgd door een lactovegetarisch dieet gedurende 9 weken. Een derde van de patiënten verbeterde tijdens het vasten, maar alle verslechterden toen de melkproducten opnieuw werden geïntroduceerd (een lactovegetarisch dieet) (Scan J Rheumatol 8: 249, 1979).

In 1980 rapporteerde Hicklin klinische verbetering bij 24 van de 72 reumapatiënten op een exclusief dieet. Voedselgevoeligheden werden gerapporteerd aan: granen in 14, melk in 4, noten in 8, rundvlees in 4, kaas in 7, eieren in 5, en één voor kip, vis, aardappel en lever (Clin Allergy 10: 463, 1980 ).

In 1980 rapporteerde Stroud over 44 patiënten met reumatoïde artritis die werden behandeld met de eliminatie van voedsel en chemische vermijding. Ze werden vervolgens uitgedaagd met voedsel. Tarwe, maïs en rundvlees waren de grootste overtreders (Clin Res 28: 791A, 1980).

In 1981 beschreef Parke een 38-jarige moeder met 11 jaar progressieve erosieve seronegatieve reumatoïde artritis, die herstelde van haar ziekte en volledige mobiliteit bereikte door alle zuivelproducten stop te zetten. Ze werd vervolgens in het ziekenhuis opgenomen en uitgedaagd om 3 pond kaas en zeven glazen melk te drinken gedurende 3 dagen. Binnen 24 uur was er een duidelijke verslechtering van de artritis van de patiënt (BMJ 282: 2027, 1981).

In 1981 ontdekte Lucas dat een vetvrij dieet volledige remissie veroorzaakte bij 6 patiënten met reumatoïde artritis. Remissie ging verloren binnen 24-72 uur na het eten van een vetrijke maaltijd, zoals een maaltijd met kip, kaas, saffloerolie, rundvlees of kokosolie. De auteurs concludeerden: “voedingsvetten in hoeveelheden die normaal in het Amerikaanse dieet worden gegeten, veroorzaken de inflammatoire gewrichtsveranderingen die optreden bij reumatoïde artritis.” (Clin Res 29: 754, 1981).

In 1982 onderzocht Sundqvist de invloed van vasten met dagelijks 3 liter fruit- en groentesap en lactovegetarisch dieet op de darmpermeabiliteit bij 5 patiënten met reumatoïde artritis. De intestinale permeabiliteit nam af na vasten, maar nam weer toe tijdens een daaropvolgend lactovegetarisch dieet (zuivelproducten en groenten). Tegelijkertijd bleek dat de ziekteactiviteit eerst afnam en daarna weer toenam. De auteurs concluderen: “De resultaten geven aan dat vasten, in tegenstelling tot een lactovegetarisch dieet, de ziekteactiviteit kan verbeteren en zowel de intestinale als de niet-intestinale permeabiliteit bij reumatoïde artritis kan verminderen.” (Scand J Rheumatol 11:33, 1982.)

In 1983 bestudeerde Lithell twintig patiënten met artritis en verschillende huidziekten op een stofwisselingsafdeling gedurende een periode van 2 weken van gemodificeerd vasten op vegetarische bouillon en dranken, gevolgd door een periode van 3 weken met een veganistisch dieet (geen dierlijke producten). Tijdens het vasten waren de gewrichtspijnen bij veel proefpersonen minder hevig. Bij sommige soorten huidziekten (pustulosis palmaris et plantaris en atopisch eczeem) kon tijdens het vasten een verbetering worden aangetoond. Tijdens het veganistische dieet kwamen bij de meeste patiënten zowel tekenen als symptomen terug, met uitzondering van enkele patiënten met psoriasis die een verbetering ervoeren. Het veganistische dieet was erg vetrijk (42% vet). (Acta Derm Venereol 63: 397, 1983).

In 1984 beschreef Kroker 43 patiënten uit drie ziekenhuiscentra die een week lang een puur watervasten ondergingen, en over het algemeen verbeterde de groep aanzienlijk tijdens het vasten. Van de 31 geëvalueerde patiënten hadden er 25 een “redelijke” tot “uitstekende” respons en 6 een “slechte” respons. Degenen met meer gevorderde artritis hadden de slechte reacties. (Clin Ecol 2: 137, 1984).

In 1986 beschreef Panush een uitdaging van melk bij een 52-jarige blanke vrouw met 11 jaar actieve ziekte met exacerbaties die naar verluidt verband hielden met vlees, melk en bonen. Na vasten (3 dagen) of Vivonex (2 dagen) was er geen ochtendstijfheid of gezwollen gewrichten. Blootstellingen aan koemelk (gemaskeerd in een capsule) brachten al haar pijn, zwelling en stijfheid terug (Arthritis Rheum 29: 220, 1986). In 1986 publiceerde Darlington een 6 weken durende, placebogecontroleerde, enkelblinde studie bij 48 patiënten. Eenenveertig patiënten identificeerden voedsel dat symptomen veroorzaakte. Graanvoedsel, zoals maïs en tarwe, gaven symptomen bij meer dan 50% van de patiënten (Lancet 1: 236, 1986).

In 1986 voerde Hanglow een onderzoek uit naar de vergelijking van de artritis-inducerende eigenschappen van koemelk, ei-eiwit en sojamelk bij proefdieren. Het 12 weken durende voedingsschema voor koemelk veroorzaakte de hoogste incidentie van significante gewrichtslaesies. Ei-eiwit veroorzaakte minder artritis dan koemelk en sojamelk veroorzaakte geen reactie. (Int Arch Allergy Appl Immunol 80: 192, 1986). In 1987 rapporteerde Wojtulewski over 41 patiënten met reumatoïde artritis die werden behandeld met een eliminatiedieet van 4 weken. Drieëntwintig van de patiënten verbeterden. (Voedselallergie en -intolerantie. London: Bailliere Tindall 723, 1987).

In 1988 liet Hafstrom 14 patiënten slechts één week watervasten. Tijdens het vasten nam de duur van de ochtendstijfheid en het aantal en de grootte van gezwollen gewrichten af ​​bij alle 14 patiënten. Er werden geen nadelige effecten van vasten gezien, behalve voorbijgaande zwakte en duizeligheid. De auteurs beschouwen vasten als een mogelijke manier om een ​​snelle verbetering van reumatoïde artritis te induceren (Arthritis Rheum 31: 585, 1988).

In 1991 zette Kjeldsen-Kragh 27 patiënten op een aangepast vasten met groentebouillon, gevolgd door een veganistisch dieet en vervolgens een lacto-ovovegetarisch dieet. Er trad een significante verbetering op in objectieve en subjectieve parameters van hun ziekte (Lancet 2: 899, 1991). Bij een follow-uponderzoek van twee jaar werden alle dieetresponders aangetroffen, maar slechts de helft van de dieet-non-responders volgde het dieet nog steeds, wat er verder op wijst dat een groep patiënten met reumatoïde artritis hebben baat bij dieetmanipulaties en dat de verbetering kan worden gehandhaafd gedurende een periode van twee jaar (Clin Rheumatol 13: 475, 1994.) Patiënten die uitvielen met artritische aanvallen in de producten) werden geïntroduceerd (Lancet 338: 1209, 1991).

In 1991 rapporteerde Darlington over 100 patiënten die in het afgelopen decennium dieetmanipulatietherapie hadden ondergaan, een derde was nog steeds gezond en onder controle met een dieet alleen zonder enige medicatie tot 7 ½ jaar na het starten van de dieetbehandeling. Ze ontdekten dat de meeste patiënten reageerden op granen en zuivelproducten (Lancet 338: 1209, 1991).

In 1992 meldde Shigemasa een 16-jarig meisje met lupus dat overging op een puur vegetarisch dieet (geen dierlijk voedsel) en haar steroïden stopte zonder toestemming van haar arts. Na het starten van het dieet vielen haar antilichaamtiters (een weerspiegeling van ziekteactiviteit) terug naar normaal en verbeterde haar nierziekte (Lancet 339: 1177, 1992).

In 1995 toonde Kavanaghi een elementair dieet (dat is een hypoallergeen eiwitvrij kunstmatig dieet bestaande uit essentiële aminozuren, glucose, sporenelementen en vitamines) wanneer het werd gegeven aan 24 patiënten met reumatoïde artritis, verbeterde hun kracht en verbeterde artritische symptomen. Herintroductie van voedsel bracht de oude symptomen terug (Br J Rheumatol 34: 270, 1995). In 1998 testte Nenonen de effecten van een ongekookt veganistisch dieet, rijk aan lactobacillen, bij reumapatiënten, gerandomiseerd in dieet- en controlegroepen. De interventiegroep ervoer subjectieve verlichting van reumatische symptomen tijdens de interventie. Een terugkeer naar een omnivoor dieet verergerde de symptomen. De resultaten toonden aan dat een ongekookt veganistisch dieet, rijk aan lactobacillen, de subjectieve symptomen van reumatoïde artritis verminderde (Br J Rheumatol 37: 274, 1998).

De voorbeelden die werden gegeven, hebben te maken met artritis, maar eigenlijk zou men dit moeten uitbreiden naar alle condities die te maken hebben met ontsteking. (Ik las recent een rapport “Kanker is een ontsteking”… dus gaat het om meer dan alleen reumatische aandoeningen) We kunnen de ontsteking bestrijden, maar zolang de oorzaak van de ontsteking blijft bestaan – en dit is meestal een voedingsoorzaak – zal de ontsteking terugkeren. De meest radicale benadering van de voeding die ontsteking geen kans geeft, vinden we bij Professor Ehret en zijn Mucusvrije Voeding.

Vroeg of laat heeft iedereen met ontsteking te maken, en daarom is de kennis hiervan voor iedereen waardevol. Vetarme en eiwitarme voeding zijn al twee principes die we kunnen onthouden, voor de rest vinden we de basis in Reuma natuurlijk genezen en in MucusVrij.